Dossier: Int. samenwerking onderwijs
Binnen het Erasmus+-programma is het mogelijk om samenwerkingsverbanden op te zetten tussen Europese onderwijsinstellingen en internationale partners van buiten de EU. Erasmus+ is één van de instrumenten waarmee de Europese Commissie de internationale strategieën van onderwijsinstellingen wil ondersteunen. Daarnaast zet de Commissie ontwikkelingssamenwerking in om onderwijs in andere landen te ondersteunen.
Laatste ontwikkelingen
Internationale samenwerking met derde landen krijgt veel aandacht in het Erasmus+ voorstel voor 2028-2034. De Raad en het Parlement zijn in hun voorlopige posities strenger op de associatievoorwaarden van derde landen. Zowel de Raad als CULT rapporteur Zdrojewski willen het respecteren van gemeenschappelijke Uniewaarden een verplichte voorwaarde maken. Ook zijn zij vóór een extra tijdelijke tussenstap, namelijk, gedeeltelijke associatie, mits dit ook in het financiële en veiligheidsbelang van de EU is. Landen die eerder al geassocieerd waren komen volgens beide niet in aanmerking. In september zal het Parlement haar positie aannemen na plenaire stemming op het rapport van de rapporteur.
De EU en het Verenigd Koninkrijk zijn akkoord over de associatie tot Erasmus+ in 2027. Tijdens de volgende EU-VK Top 2026 onderhandelen zij over de associatievoorwaarden. Ook willen zij tot akkoord komen over de nieuw youth mobility scheme voor het vergemakkelijken van reizen, werken, studeren of vrijwilligerswerk voor jongeren van 18 tot 30 jaar.
Een nieuw EACEA rapport, Erasmus+ Building skills worldwide, laat zien dat Erasmus+ in derde landen niet alleen mobiliteit bevordert, maar ook effectief bijdraagt aan maatschappelijke ontwikkeling, onder meer via de opbouw van regionale infrastructuur op het gebied van curricula, governance en digitale en groene voorzieningen. Het instrument voor capaciteitsopbouw in het hoger onderwijs (CBHE) blijkt het belangrijkste en meest ingezette instrument buiten Europa.
Laatste update: 8 jui 2026
Internationale samenwerking in Erasmus+
Binnen Erasmus+ wordt onderscheid gemaakt tussen programma- en partnerlanden. Programmalanden mogen deelnemen aan alle Erasmus+-acties. Dit zijn alle EU-landen en enkele derde (niet-EU) landen (Noord-Macedonië, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Servië en Turkije). Internationale partners uit partnerlanden mogen slechts aan een beperkt aantal activiteiten onder Erasmus+ deelnemen en moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden.
Er zijn verschillende mogelijkheden voor internationale samenwerking binnen Erasmus+:
- Individuele leermobiliteit is ondergebracht onder het zogenaamde Key Action 1 (KA1). Hieronder is International Credit Mobility (ICM) mogelijk. Binnen Erasmus+ valt dit onder actie KA171, mobiliteit buiten Europa. Met ICM kunnen studenten en personeelsleden een periode buiten Europa studeren, lesgeven of onderzoek doen. In het nieuwe programma komen ook mbo-studenten en docenten in aanmerking voor een Erasmus+-subsidie bij een stage buiten de EU.
- Onder KA1 vallen ook de Erasmus Mundus Joint Master Degrees, gezamenlijke masterprogramma’s georganiseerd door een consortium van Europese hogeronderwijsinstellingen met mogelijk partnerinstellingen buiten Europa. Key Action 2 (KA2) richt zich op samenwerking tussen organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd. Onder KA2 is samenwerking met partners buiten Europa mogelijk binnen de capacity-building-projecten. Deze projecten tussen Erasmus+-programmalanden en -partnerlanden stimuleren de capaciteitsopbouw en modernisering van hoger onderwijssystemen. Hierbij is er een speciale focus op buurlanden van de EU.
- Daarnaast worden onder Key Action 3 activiteiten gefinancierd ter ondersteuning van beleidsdialoog. Hieronder vallen initiatieven gericht op het uitwisselen van kennis, gericht op evidence-based en innovatieve beleidsvorming op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd.
- Ten slotte staan de Jean Monnet activities van Erasmus+ ook open voor deelname van instellingen buiten Europa. Deze zijn gericht op het bevorderen van EU-studies wereldwijd.
Mobiliteit van en naar het Verenigd Koninkrijk na Brexit
Sinds het vertrek van het VK uit het programma in 2020 is het aantal uitwisselingen met Britse instellingen sterk gedaald. Sinds de uittreding uit de EU, is het VK een derde land geworden. Daardoor doet het VK niet meer automatisch mee aan Erasmus+ en moesten er nieuwe afspraken voor deelname gemaakt worden. Het VK heeft er echter voor gekozen niet deel te zullen nemen aan het nieuwe Erasmus+-programma. De Britse overheid heeft na de Brexit aangegeven een alternatief mobiliteitsprogramma, het Turing Scheme, uit te werken. Vanaf september 2021 realiseert het Britse programma de uitwisseling van zo’n 35.000 studenten, met een budget van 100 miljoen Britse pond. De Britten zullen zich nu moeten richten op het aangaan van bilaterale akkoorden. Het programma richt zich niet alleen op uitwisseling binnen Europa, maar over de gehele wereld. Het Turing Scheme moet studenten aan Britse onderwijsinstellingen de mogelijkheid geven om op leermobiliteit te gaan; het programma geldt dus niet voor mobiliteit naar het VK.
Sinds Brexit is het aantal EU-studenten in het VK gedaald van 127.000 in 2015 en 2016 naar 75.490 in 2023 en 2024. Hogere collegegelden en het verlies van Erasmus+ spelen hierin een rol. Ook het aantal Britse studenten in de EU is sterk teruggelopen, van circa 50.000 vóór Brexit naar slechts 14.000 na de Brexit.
Het VK komt terug in 2027: associatie tot Erasmus+
Tijdens de vorige EU-VK top in mei 2025 werd Erasmus+-associatie besproken en spraken beide partijen af om de samenwerking op onderwijs en jongerenmobiliteit te verdiepen. In december bevestigden beide partijen deze doelstellingen nogmaals middels een verklaring. In februari 2026 sprak de CULT-commissie van het Europees Parlement met Britse vertegenwoordigers waar zij de inhoud van de samenwerking grotendeels vastlegde. Deze strategische stap biedt de EU een kans om hun associatie met Britse academische instellingen te gebruiken als versterking van haar positie als wereldwijd centrum voor onderwijs. In april werd de associatie in 2027 officieel ondertekend.
Naast de associatie gaan de EU en VK aan de slag met een balanced youth mobility scheme, gericht op jongeren tussen de 18 en 30 jaar. Dit initiatief moet jongeren van beide zijden van het kanaal weer de kans geven om tijdelijk te reizen, werken, studeren of vrijwilligerswerk te doen. Het plan voorziet een speciale visumregeling, met wederzijds afgestemde quota, zodat uitwisseling op een eerlijke en gecontroleerde manier kan plaatsvinden. Wat het nieuwe stelsel zal betekenen voor het collegegeld dat Europese studenten moeten betalen om in het VK te studeren, is nog onduidelijk. Op dit moment betalen de meeste EU-studenten internationale collegegelden, die aanzienlijk hoger liggen dan de tarieven voor Britse studenten. Naast de associatievoorwaarden voor deelname aan Erasmus+, hopen de EU en het VK ook onderhandelingen over de youth mobility scheme af te ronden tijdens de 2026 EU-VK top.
De British Council zal in 2027 ook een nationaal agentschap optuigen.
Context
Ontwikkelingssamenwerking gericht op onderwijs
In lijn met de Sustainable Development Goal (SDGs), ondersteunt de EU ontwikkelingslanden in het versterken van hun onderwijssector. SDG 4, die specifiek gericht is op het bieden van kwalitiatief onderwijs aan iedereen biedt hiervoor de basis. Via verschillende financieringsinstrumenten ondersteunt de EU onderwijsactiviteiten in zo’n 100 landen wereldwijd, als ook regionale en globale initiatieven, zoals het Global Partnership for Education (GPE). Mogelijkheden voor financiering zijn ondergebracht in het nieuwe Instrument voor Nabuurschapsbeleid, Ontwikkeling en Internationale Samenwerking (NDICI). Hieronder zijn bestaande programma’s voor internationale en ontwikkelingssamenwerking samengebracht. Ook onder Erasmus+ zijn er mogelijkheden voor partnerlanden om deel te nemen aan mobiliteit en samenwerkingsprogramma’s.
Laatste ontwikkelingen
Internationale samenwerking met derde landen krijgt veel aandacht in het Erasmus+ voorstel voor 2028-2034. De Raad en het Parlement zijn in hun voorlopige posities strenger op de associatievoorwaarden van derde landen. Zowel de Raad als CULT rapporteur Zdrojewski willen het respecteren van gemeenschappelijke Uniewaarden een verplichte voorwaarde maken. Ook zijn zij vóór een extra tijdelijke tussenstap, namelijk, gedeeltelijke associatie, mits dit ook in het financiële en veiligheidsbelang van de EU is. Landen die eerder al geassocieerd waren komen volgens beide niet in aanmerking. In september zal het Parlement haar positie aannemen na plenaire stemming op het rapport van de rapporteur.
De EU en het Verenigd Koninkrijk zijn akkoord over de associatie tot Erasmus+ in 2027. Tijdens de volgende EU-VK Top 2026 onderhandelen zij over de associatievoorwaarden. Ook willen zij tot akkoord komen over de nieuw youth mobility scheme voor het vergemakkelijken van reizen, werken, studeren of vrijwilligerswerk voor jongeren van 18 tot 30 jaar.
Een nieuw EACEA rapport, Erasmus+ Building skills worldwide, laat zien dat Erasmus+ in derde landen niet alleen mobiliteit bevordert, maar ook effectief bijdraagt aan maatschappelijke ontwikkeling, onder meer via de opbouw van regionale infrastructuur op het gebied van curricula, governance en digitale en groene voorzieningen. Het instrument voor capaciteitsopbouw in het hoger onderwijs (CBHE) blijkt het belangrijkste en meest ingezette instrument buiten Europa.
Laatste update: 8 jui 2026
Internationale samenwerking in Erasmus+
Binnen Erasmus+ wordt onderscheid gemaakt tussen programma- en partnerlanden. Programmalanden mogen deelnemen aan alle Erasmus+-acties. Dit zijn alle EU-landen en enkele derde (niet-EU) landen (Noord-Macedonië, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Servië en Turkije). Internationale partners uit partnerlanden mogen slechts aan een beperkt aantal activiteiten onder Erasmus+ deelnemen en moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden.
Er zijn verschillende mogelijkheden voor internationale samenwerking binnen Erasmus+:
- Individuele leermobiliteit is ondergebracht onder het zogenaamde Key Action 1 (KA1). Hieronder is International Credit Mobility (ICM) mogelijk. Binnen Erasmus+ valt dit onder actie KA171, mobiliteit buiten Europa. Met ICM kunnen studenten en personeelsleden een periode buiten Europa studeren, lesgeven of onderzoek doen. In het nieuwe programma komen ook mbo-studenten en docenten in aanmerking voor een Erasmus+-subsidie bij een stage buiten de EU.
- Onder KA1 vallen ook de Erasmus Mundus Joint Master Degrees, gezamenlijke masterprogramma’s georganiseerd door een consortium van Europese hogeronderwijsinstellingen met mogelijk partnerinstellingen buiten Europa. Key Action 2 (KA2) richt zich op samenwerking tussen organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd. Onder KA2 is samenwerking met partners buiten Europa mogelijk binnen de capacity-building-projecten. Deze projecten tussen Erasmus+-programmalanden en -partnerlanden stimuleren de capaciteitsopbouw en modernisering van hoger onderwijssystemen. Hierbij is er een speciale focus op buurlanden van de EU.
- Daarnaast worden onder Key Action 3 activiteiten gefinancierd ter ondersteuning van beleidsdialoog. Hieronder vallen initiatieven gericht op het uitwisselen van kennis, gericht op evidence-based en innovatieve beleidsvorming op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd.
- Ten slotte staan de Jean Monnet activities van Erasmus+ ook open voor deelname van instellingen buiten Europa. Deze zijn gericht op het bevorderen van EU-studies wereldwijd.
Mobiliteit van en naar het Verenigd Koninkrijk na Brexit
Sinds het vertrek van het VK uit het programma in 2020 is het aantal uitwisselingen met Britse instellingen sterk gedaald. Sinds de uittreding uit de EU, is het VK een derde land geworden. Daardoor doet het VK niet meer automatisch mee aan Erasmus+ en moesten er nieuwe afspraken voor deelname gemaakt worden. Het VK heeft er echter voor gekozen niet deel te zullen nemen aan het nieuwe Erasmus+-programma. De Britse overheid heeft na de Brexit aangegeven een alternatief mobiliteitsprogramma, het Turing Scheme, uit te werken. Vanaf september 2021 realiseert het Britse programma de uitwisseling van zo’n 35.000 studenten, met een budget van 100 miljoen Britse pond. De Britten zullen zich nu moeten richten op het aangaan van bilaterale akkoorden. Het programma richt zich niet alleen op uitwisseling binnen Europa, maar over de gehele wereld. Het Turing Scheme moet studenten aan Britse onderwijsinstellingen de mogelijkheid geven om op leermobiliteit te gaan; het programma geldt dus niet voor mobiliteit naar het VK.
Sinds Brexit is het aantal EU-studenten in het VK gedaald van 127.000 in 2015 en 2016 naar 75.490 in 2023 en 2024. Hogere collegegelden en het verlies van Erasmus+ spelen hierin een rol. Ook het aantal Britse studenten in de EU is sterk teruggelopen, van circa 50.000 vóór Brexit naar slechts 14.000 na de Brexit.
Het VK komt terug in 2027: associatie tot Erasmus+
Tijdens de vorige EU-VK top in mei 2025 werd Erasmus+-associatie besproken en spraken beide partijen af om de samenwerking op onderwijs en jongerenmobiliteit te verdiepen. In december bevestigden beide partijen deze doelstellingen nogmaals middels een verklaring. In februari 2026 sprak de CULT-commissie van het Europees Parlement met Britse vertegenwoordigers waar zij de inhoud van de samenwerking grotendeels vastlegde. Deze strategische stap biedt de EU een kans om hun associatie met Britse academische instellingen te gebruiken als versterking van haar positie als wereldwijd centrum voor onderwijs. In april werd de associatie in 2027 officieel ondertekend.
Naast de associatie gaan de EU en VK aan de slag met een balanced youth mobility scheme, gericht op jongeren tussen de 18 en 30 jaar. Dit initiatief moet jongeren van beide zijden van het kanaal weer de kans geven om tijdelijk te reizen, werken, studeren of vrijwilligerswerk te doen. Het plan voorziet een speciale visumregeling, met wederzijds afgestemde quota, zodat uitwisseling op een eerlijke en gecontroleerde manier kan plaatsvinden. Wat het nieuwe stelsel zal betekenen voor het collegegeld dat Europese studenten moeten betalen om in het VK te studeren, is nog onduidelijk. Op dit moment betalen de meeste EU-studenten internationale collegegelden, die aanzienlijk hoger liggen dan de tarieven voor Britse studenten. Naast de associatievoorwaarden voor deelname aan Erasmus+, hopen de EU en het VK ook onderhandelingen over de youth mobility scheme af te ronden tijdens de 2026 EU-VK top.
De British Council zal in 2027 ook een nationaal agentschap optuigen.
Context
Ontwikkelingssamenwerking gericht op onderwijs
In lijn met de Sustainable Development Goal (SDGs), ondersteunt de EU ontwikkelingslanden in het versterken van hun onderwijssector. SDG 4, die specifiek gericht is op het bieden van kwalitiatief onderwijs aan iedereen biedt hiervoor de basis. Via verschillende financieringsinstrumenten ondersteunt de EU onderwijsactiviteiten in zo’n 100 landen wereldwijd, als ook regionale en globale initiatieven, zoals het Global Partnership for Education (GPE). Mogelijkheden voor financiering zijn ondergebracht in het nieuwe Instrument voor Nabuurschapsbeleid, Ontwikkeling en Internationale Samenwerking (NDICI). Hieronder zijn bestaande programma’s voor internationale en ontwikkelingssamenwerking samengebracht. Ook onder Erasmus+ zijn er mogelijkheden voor partnerlanden om deel te nemen aan mobiliteit en samenwerkingsprogramma’s.
























