10 juli 2026
Regionale automatische erkenningsakkoorden: motor van integratie of bron van fragmentatie?
Lily Pestel
Beleidsstagiair
Stel uw vraag
Meer informatie nodig? Stel uw vraag aan één van onze medewerkers
10 juli 2026
Beleidsstagiair
Meer informatie nodig? Stel uw vraag aan één van onze medewerkers
Automatische erkenning van diploma's geldt als een sleutelvoorwaarde voor een goed functionerende Europese Hogeronderwijsruimte (EHEA), maar de implementatie ervan blijft in de praktijk gefragmenteerd en ongelijk. Terwijl de Europese Unie door haar beperkte onderwijsbevoegdheid maar beperkt kan sturen, realiseren regionale, juridisch bindende akkoorden automatische erkenning in de praktijk. Hoe deze akkoorden het erkenningslandschap daadwerkelijk beïnvloeden en hoe deskundige actoren daartegen aankijken, onderzocht Lily Pestel tijdens haar stage.
Wie in het buitenland heeft gestudeerd of gewerkt, is vrijwel altijd in aanraking gekomen met erkenning van diploma's of beroepskwalificaties, terwijl het onderliggende systeem vaak onzichtbaar blijft. Automatische erkenning gaat een stap verder: een buitenlandse kwalificatie wordt erkend zonder extra procedure, tenzij er sprake is van wezenlijke verschillen tussen de opleidingen of kwalificatieniveaus. De Lissabon Erkenningsconventie (LRC) legde dit principe in 1997 vast, wat later de naam ‘automatische erkenning’ zou krijgen. De uitwerking van het principe heeft echter geleid tot een vrij onoverzichtelijke verzameling van afspraken en instrumenten op EHEA-, EU- en regionaal niveau. Landen spelen niet allemaal met dezelfde regels en er zijn duidelijke kop- en achterlopers; het erkenningslandschap is duidelijk ongelijk. De vraag naar coherentie is daarmee niet alleen juridisch, maar ook institutioneel: hoe houd je overzicht in een landschap waarin meerdere organisaties en beleidsniveaus naast elkaar opereren? Dit roept de vraag op hoe regionale automatische erkenningsakkoorden het erkenningslandschap daadwerkelijk beïnvloeden, en wie kan die vraag beter beantwoorden dan deskundige actoren die dagelijks met automatische erkenning werken?
Hoewel automatische erkenning al decennialang op de politieke agenda staat, blijft EHEA-brede implementatie complex. Dit komt door de beperkte onderwijsbevoegdheid van de EU en de grote institutionele en nationale verschillen tussen de 49 landen die de EHEA vormen. Europese initiatieven kunnen richting geven, maar missen vaak de juridische tanden om echte veranderingen af te dwingen, zoals te zien is bij de Raadsaanbeveling over automatische erkenning (2018/C 444/01). De Raad van Europa werkt daarom aan een nieuw erkenningsraamwerk dat de juridische positie van studenten in de EHEA moet versterken. Juist omdat EHEA-brede voortgang moeilijk te organiseren is, blijkt het in kleinere groepen makkelijker om concrete stappen te zetten. Sommige landen kiezen er daarom voor om een regionaal automatische‑erkenningsakkoord met elkaar te sluiten, zoals het open multilaterale verdrag dat in 2021 werd gesloten tussen de Benelux en de Baltische staten. Sindsdien hebben ook Polen en Ierland een verzoek tot toetreding ingediend.
Deskundige actoren uit verschillende hoeken van het erkenningslandschap beschrijven regionale akkoorden als een concrete, bruikbare uitwerking van automatische erkenning. Dit komt doordat de akkoorden juridisch bindend zijn in plaats van adviserend of vrijblijvend, zoals brede EU- of EHEA-afspraken vaak wel zijn. Vanwege de bevoegdheidsbeperkingen blijven zulke brede initiatieven vaak steken in intenties, terwijl regionale verdragen een duidelijke verplichting creëren. Regionale akkoorden worden hierdoor gezien als instrumenten die automatische erkenning in de praktijk weten te realiseren.
Respondenten benadrukken expliciet dat regionale akkoorden geen concurrerend raamwerk vormen, maar voortbouwen op bestaande Bologna- en LRC-instrumenten. De akkoorden maken gebruik van vertrouwde kaders, zoals kwalificatieraamwerken, het diploma supplement en kwaliteitszorgregimes. Zo bieden regionale akkoorden een kans om de bestaande infrastructuur te verdiepen en te operationaliseren, in plaats van het wiel opnieuw uit te vinden.
Het huidige erkenningslandschap is gefragmenteerd volgens respondenten: lidstaten bewegen met verschillende snelheden van implementatie en werken met uiteenlopende nationale procedures. Deskundige actoren zien dat echter niet uitsluitend als iets negatiefs. Volgens hen is het haast nodig om eerst stappen te zetten met kleinere groepen om vooruitgang te boeken. In dit geval gebeurt dat door regionale automatische erkenningsverdragen af te sluiten, die juist inspirerend kunnen werken voor andere landen binnen de EHEA. Daarnaast staan verdragen zoals het multilaterale verdrag tussen de Benelux en de Baltische staten open voor toetreding, en zou iedere EHEA-lidstaat die de nodige instrumenten voldoende heeft geïmplementeerd en aan de toetredingscriteria voldoet kunnen toetreden, mochten zij dat willen. Rekening houdend met de EU's beperkte bevoegdheid, zijn regionale akkoorden wel degelijk een instrument om automatische erkenning te realiseren en kansen te bieden voor bredere EHEA-coherentie; zo blijkt fragmentatie toch niet zo slecht te zijn.
In de praktijk zien deskundige actoren duidelijke voordelen van regionale automatische‑erkenningsakkoorden, variërend van minder administratieve en procedurele lasten tot betere ondersteuning van bestaande mobiliteitsstromen. Studenten hoeven minder vaak individuele erkenningsaanvragen te doen, instellingen kunnen procedures standaardiseren en ENIC‑NARIC-centra ervaren verlichting doordat afspraken vooraf duidelijk zijn. Die ervaren verlichting is echter nog lastig te bevestigen, omdat monitoring en impact assessments ontbreken. De gevoelde voordelen zijn grotendeels gebaseerd op eigen ervaring, en hoewel dat ook zeker meetelt, is het nodig om de daadwerkelijke impact van bestaande instrumenten in beeld te brengen. Met deze kennis kan duidelijk worden gemaakt of instrumenten voldoende worden benut, of er genoeg bewustzijn is van de instrumenten en waar er nog ruimte is voor verbetering. Om die impact beter zichtbaar te maken en bestaande instrumenten optimaal te benutten, benadrukken deskundigen ook het belang van blijvende professionalisering, gerichte training en goed functionerende netwerken tussen ENIC‑NARIC-centra en toelatingsfunctionarissen.
Volgens deskundige actoren is vertrouwen fundamenteel voor het succes van automatische erkenning. Dat vertrouwen is gebaseerd op transparantie, kwaliteitszorg en vertrouwde processen. Voordat we ons richten op uitbreiding van automatische erkenning naar nieuwe domeinen, zoals microcredentials en andere onderwijssectoren, moeten de bestaande kwaliteitswaarborgen en systematiek voldoende worden geïmplementeerd. Daarom waarschuwen respondenten dat automatische erkenning ingebed moet blijven in een breder systeem van kwaliteitsborging en goed toegankelijke informatie.
In de gesprekken wordt Nederland genoemd als land waar automatische erkenning al ver gevorderd is, met een lange traditie van soepele toelatingspraktijk. Daardoor sluiten verschillende respondenten niet uit dat de directe meerwaarde van regionale akkoorden voor Nederland relatief beperkt is. Tegelijkertijd zien zij Nederland, en in het bijzonder de Benelux, als belangrijke voortrekkers in de ontwikkeling en promotie van regionale automatische erkenning binnen de EHEA. Deze gunstige positie kan kansen bieden voor strategische uitbreiding van het multilaterale verdrag tussen de Benelux en de Baltische staten. Door te doelen op uitbreiding naar landen waar al veel mobiliteit mee is, kan het verdrag optimaal worden benut, in het voordeel van onder andere Nederland.
Uit het onderzoek komt naar voren dat de belangrijkste uitdaging voor de komende jaren ligt in het versterken van samenhang én uitvoering binnen de EHEA. Om dat werkelijkheid te maken zouden beleidsmakers in de eerste plaats consequent moeten voortbouwen op bestaande Bologna- en LRC-instrumenten, in plaats van steeds nieuwe instrumenten en initiatieven te ontwikkelen. Daarnaast is blijvende investering in implementatie, professionalisering en transparante evaluatie nodig, onder meer via ENIC‑NARIC-netwerken en trainingen voor toelatingsfunctionarissen, zodat duidelijk wordt waar instrumenten al werken en waar nog land te winnen is. Tot slot benadrukken verschillende deskundigen dat coherentie niet zonder samenwerking kan: tussen internationale organisaties zoals de Raad van Europa, UNESCO en de Europese Commissie, maar ook tussen nationale ministeries, ENIC‑NARIC centra en instellingen. Door deze niveaus beter te verbinden en uitbreiding van verdragen strategisch vorm te geven, kunnen regionale akkoorden uitgroeien tot bouwstenen van een meer samenhangende Europese hogeronderwijsruimte.
Dit artikel is geschreven in het kader van onderzoek dat Lily Pestel uitvoerde tijdens haar stage bij Neth-ER. Het onderzoek richtte zich op de vraag hoe deskundige actoren regionale automatische erkenningsakkoorden beoordelen, en welke rol deze akkoorden spelen binnen het bredere Europese erkenningslandschap. Voor dit onderzoek zijn interviews afgenomen met vertegenwoordigers van de Europese Commissie, Nuffic, de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de EU, de Benelux Unie, de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO), de European University Association (EUA) en de Nordic Council of Ministers. De analyse in dit artikel is gebaseerd op deze gesprekken en aanvullende beleidsanalyse. De standpunten in dit stuk zijn geschreven op persoonlijke titel en vertegenwoordigen niet het officiële standpunt van Neth-ER of van de betrokken organisaties.
Securing the Future of European University Alliances and CoVEs: Neth-ER Event Looks Ahead
Raad zet koers uit voor Europese Onderwijsruimte tot 2030
Alle Nederlandse universiteiten vertegenwoordigd in Europese Universiteiten
Europa boekt te weinig voortgang op skills en Leven Lang Leren